
John Voppen: “De stem van infra is ondervertegenwoordigd”

Na ruim twintig jaar bij ProRail, waarvan de laatste jaren als bestuursvoorzitter, neemt John Voppen deze zomer afscheid van de spoorsector. Met zijn vertrek bij ProRail per 1 juli stopt hij ook als voorzitter van NGinfra. In dit afscheidsinterview kijkt John terug op tien jaar samenwerking tussen netwerkbeheerders en heeft hij een duidelijke oproep voor de toekomst. “Treed als NGinfra nadrukkelijker naar voren als onafhankelijk, gezaghebbend adviesorgaan over infrastructuur.”
Tien jaar NGinfra. Hoe kijk je op die periode terug?
“Het is ontzettend belangrijk geweest om als infrabeheerders samen te werken. En dat is het tot op de dag van vandaag nog steeds. We hebben allemaal hetzelfde soort problemen. Of je nu een waterbedrijf bent, een wegbeheerder, een luchthaven, een elektriciteitsbedrijf, een havenbedrijf of een spoorbeheerder. Ik vind het heel goed dat we die samenwerking wetenschappelijk hebben opgetuigd en niet allemaal ons eigen onderzoek zijn gaan doen. Wat mij vooral blij maakt, is dat het ons de afgelopen drie, vier jaar is gelukt om de onderzoeken veel praktischer te maken. Zo hebben organisaties echt iets aan het gezamenlijke onderzoek en kunnen ze de resultaten laten landen in de praktijk.”
“Op dat laatste hebben we gehamerd als bestuur van NGinfra. Wetenschappelijk onderzoek is heel erg waardevol, maar we moeten het ook echt verbinden aan de problemen van vandaag. Als het te ver afstaat van de praktijk, wordt het niet gebruikt. Dan is het een ver-van-mijn-bedshow. We hebben veel geïnvesteerd in methodes om onderzoek beter te laten landen bij de partners. Je ziet daar echt een omslag: van aanbod gedreven naar vraag- en impact gedreven. Wat mij altijd is opgevallen, is hoeveel kennis er binnen NGinfra zit en hoeveel partijen erbij betrokken zijn. Dan vind ik dat NGinfra veel bekender zou mogen zijn. Het moet echt een instituut zijn dat iets te zeggen heeft over infrastructuur in Nederland.”
Wat bedoel je daarmee?
“Geen lobbyclub, absoluut niet. Maar wel een gezaghebbend, onafhankelijk adviesorgaan. Zoals we in Nederland meerdere adviesorganen kennen. De behoefte aan zo’n instituut is er. De uitdagingen rond infrastructuur zijn op dit moment serieus en structureel. Juist dan heb je een plek nodig waar objectieve kennis samenkomt en waar een integraal beeld wordt neergezet namens de hele sector van netbeheerders.”
Waarom is dat juist nu zo belangrijk?
“Omdat we in Nederland verwend zijn geraakt. We nemen infrastructuur als vanzelfsprekend. We willen fantastische wegen, elke tien minuten een trein, volle supermarkten en een sterke economie. Maar we willen steeds minder hinder, steeds minder ruimtegebruik en we kennen een steeds strengere regelgeving. Die regelgeving stapelt zich ook nog eens op vanuit de Europese Unie, Rijksoverheid, provincies en gemeenten. Dat wringt. Als we vandaag met alle huidige regels en procedures een compleet nieuw spoor- of wegennet zouden moeten aanleggen, zoals na de Tweede Wereldoorlog, dan zou dat simpelweg niet meer lukken.”
Wat zie je daar concreet misgaan?
“Je ziet een enorme stapeling van regelgeving en een sterk verkokerd systeem. Elk beleidsdomein verdedigt zijn eigen belangen. Dat leidt tot situaties waarin een enkel belang alles kan blokkeren terwijl de maatschappelijke schade enorm is. Begrijp me niet verkeerd, ik ben voor natuur, voor milieu en voor cultureel erfgoed. Maar proportionaliteit en het wegen van belangen raakt uit beeld. Dan maak je het systeem zo complex dat je als samenleving alleen nog maar bezig bent regels in stand te houden. En dan kom je niet vooruit.”
En dat raakt alle sectoren?
“Ja, het maakt niet uit of je naar energie, water, mobiliteit of logistiek kijkt. Iedereen ziet dezelfde patronen. De problemen zijn niet individueel, ze zijn collectief. Daarom is het ook zo belangrijk dat NGinfra naar voren stapt als geheel en niet dat ProRail, Rijkswaterstaat of een andere netwerkbeheerder dat alleen doet. Anders blijven organisaties tegenover elkaar staan terwijl het in werkelijkheid één samenhangend systeem is. Daar waar je elkaar nodig hebt om oplossingen te vinden.”
Je zegt expliciet dat NGinfra meer naar voren moet treden. Wat is daar volgens jou voor nodig?
“Meer naar buiten treden met de kennis die er al is. Veel wetenschappelijke kennis blijft nu intern. Dat is echt zonde. Die kennis moet zichtbaar worden, ook in het publieke debat. Nederland investeert al decennialang in infrastructuur, maar het besef van de waarde daarvan brokkelt af. NGinfra kan helpen om dat verhaal opnieuw neer te zetten, gebaseerd op feiten en onderzoek.”
Hoe zie je die rol richting de overheid en de politiek?
“Als adviesorgaan. Politiek moet besluiten nemen. In dat democratisch uitgangspunt geloof ik heilig. Maar de stem van de infrastructuur is nu ondervertegenwoordigd. Terwijl andere belangen wel goed georganiseerd en goed vertegenwoordigd zijn, is infra dat veel minder. NGinfra kan dat gat vullen door objectief en sector overstijgend advies te geven. Vervolgens is het aan de politiek en het bestuur om afwegingen te maken.”
Wat vraagt dat van de partnerorganisaties zelf?
“Dat zij die integraliteit omarmen. Niet individueel naar voren stappen, maar gezamenlijk. Tachtig procent van de problematiek is hetzelfde. Of het nu gaat om onderhoud, veroudering, arbeidsmarkt, ruimtegebrek of maatschappelijke acceptatie van overlast. Als je dat vanuit één sector probeert te adresseren, mis je kracht. Juist samen kun je laten zien hoe fundamenteel deze vraagstukken zijn.”
Wat zijn de belangrijkste ‘wapenfeiten’ onder jouw periode bij NGinfra?
“Voor mij springen er twee uit. Ten eerste het werk rond het laten zien van de waarde van infrastructuur. Daar doen we samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek onderzoek naar. Dat inzichtelijk maken, niet alleen economisch maar ook maatschappelijk, is cruciaal voor het gesprek dat we nu voeren. Daarnaast het gezamenlijke werk rond cybersecurity. Dat hebben we samen als netbeheerders vroeg opgepakt. Op het moment dat het nog veel minder een onderwerp was en we minder organisatie rondom het thema hadden. Dat laat zien wat je samen kunt bereiken.”
“Van recentere aard: we zijn bezig met de weerbaarheid van kritieke infrastructuur. Zeker in de geopolitieke context. Daar hebben we bijvoorbeeld met Defensie waardevolle gesprekken over gevoerd. Daarnaast is de arbeidsmarkt een enorm thema. We moeten productiviteit verhogen met innovatie, digitalisering en robotisering. Ik ben ook trots op de samenwerkingen op die terreinen, zoals de oprichting van NGinfra Talent, al staan de echte resultaten daar nog aan het begin.”
Tot slot: wat hoop je over vijf jaar te horen over NGinfra?
“Dat iedereen weet wat NGinfra is en waar het voor staat. Dat het wordt gezien als een autoriteit op het gebied van infrastructuur. Als over een jaar in Den Haag de vraag wordt gesteld ‘hoe gaat het met NGinfra?’, dan zou ik het prachtig vinden als iedereen precies kan vertellen wat NGinfra doet. Die stap moet nu echt gezet gaan worden. Daar ligt een enorme kans. En eerlijk gezegd meteen ook een verantwoordelijkheid.”
Afscheid van ProRail en NGinfra
John maakt de overstap naar Total Care, het familiebedrijf achter CSU en Tzorg. Daar wordt hij voorzitter van de raad van bestuur. “Zorg, schoonmaak en het werk van tienduizenden mensen daarin zijn cruciaal voor de samenleving. Het gaat om medewerkers die elke dag bijdragen aan het functioneren van Nederland. Dat mensgerichte en het maatschappelijke karakter sluit aan bij de manier waarop ik ook al in de infrastructuursector wilde werken.”





