
Impactcoördinator Ilse stelt zich voor
Als impactcoördinator voor Vitens helpt Ilse Nederlof de koers te varen die het bestuur en de…

Wetenschappelijk directeur Wijnand Veeneman constateert dat we in een overgangsperiode zitten tussen vernieuwing realiseren en het bestaande op orde houden. In deze column gaat hij in op de oorzaken en dromen van een nieuwe versmelting ervan.
“Op 6 november ’25 mocht mijn TU Delft collega Niels van Oort zijn licht in de Trouw laten schijnen op het Europese plan voor veel meer nieuw spoor voor hogesnelheidstreinen in Europa. Tegelijkertijd pleitten Wouter Koolmees (NS) en Marga de Jager (ANWB) op 11 november in de NRC om meer geld in de bestaande infrastructuur te stoppen. Ik kom veel meer van dergelijke tegenstellingen tegen in de berichtgeving: veel meer stroom voor AI (5 december, NRC) en drinkwater moeten koken in Utrecht (2 november, Volkskrant). De vraag om groots en meeslepend nieuws, terwijl we met elkaar heel druk zijn het bestaande op orde te houden.
We zitten in een overgangsperiode waar een nieuwe versmelting moet gaan ontstaan. Een versmelting tussen vernieuwing realiseren en het bestaande op orde houden. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste zijn we aangelopen tegen de grenzen van steeds maar uitbreiden. Er zijn simpelweg weinig geld en ruimte en ook drong tot ons door dat steeds maar meer infrastructuur niet per se het juiste antwoord was. Ten tweede zijn we aangelopen tegen de grenzen van beschikbare middelen voor onderhoud. Er wordt simpelweg minder geld voor onderhoud ter beschikking gesteld en dat moet dus slimmer. Misschien wel slim over de grenzen van de sector heen.
Dat leidt tot een nieuwe focus voor veel infrastructuren. Een focus die ook herkenbaar is voor infrastructuren die nog stevig uitbreiden zoals elektriciteitsinfrastructuur: een focus op zoveel mogelijk doen met wat er beschikbaar is. Elke vooruitgang en vernieuwing omarmen, maar dan gericht op juist die vernieuwingen die het bestaande beter uit laten komen. En daar hoort een complexer verhaal bij dat voorbijgaat aan simpelweg zien waar het uitkomt. Dat gericht is op veel zorgvuldiger snappen hoe alles met elkaar samenhangt en dat we daar rekening mee moeten houden. Misschien dus wel over de grens van de sector heen.
Toch staan er nog geregeld vergezichten in de krant van dromers die met een prachtig plan komen over hoe het allemaal anders zou moeten zijn. Ik vind het fijn die vergezichten te lezen. Terwijl achter in mijn hoofd een rood lampje gaat branden. Voor je het weet landt het mooie plan op het bureau van iemand die erover gaat en gaat er veel geld van ‘de boel op orde kunnen houden’ naar het vergezicht.
We zitten dus in een overgang naar de boel op orde houden, met vernieuwing om de bestaande functionaliteit slim in de lucht te houden. Vernieuwing in contact met het bestaande. Daarover hoop ik snel meer geïnspireerde plannen in de krant te lezen.
NGinfra had recent het jaarcongres: InfraTrends. Het thema was Samen Slim Sturen en dat denken vindt zijn basis in het model dat NGinfra steeds in het achterhoofd houdt. Wat als al de Nederlandse infrabeheerders nu eens als een enkele organisatie functioneerden? Een organisatie die maatschappelijke waarde wil creëren en daarbij vrijelijk kan denken over grenzen van sectoren, simpelweg omdat het een interne keuze zou zijn. Wat zouden we dan op welke wijze invullen voor de infra als geheel? Zouden we slimmer om kunnen gaan met de bouwsector? Zou digitalisering een gezamenlijke opgave zijn? Zouden we gebruikers slimmer doorverwijzen naar andere vormen van vervoer of energievoorziening? Zouden we slimmer samen met de ruimte omgaan, met personeel of met grondstoffen? En wat als NGinfra dat ook zou kunnen, zonder deze ultrabeheerder?
Wat het denkmodel duidelijk maakt is waar je wel en waar niet governance zou bouwen over de techniek heen. Waar je over de technische sectoren heen op zou trekken en waar ook de techniek van elke sector leidend zou zijn. Als je dan samen optrekt, hoe beslis je dan met elkaar? Hoe hak je de knoop door als het spannend wordt?
Eigenlijk bestaat die superbeheerder natuurlijk al een beetje. Je zou kunnen zeggen dat je van de Nederlandse overheid mag verwachten dat die infrastructuren een georkestreerd geheel zijn. Helaas valt op dat terrein op dit moment weinig te verwachten. Een recent rapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur richtte de blik op de aansturing van de overheid van de infrastructuursectoren, in het bijzonder het instrument van het aandeelhouderschap. Opvallend was het pleidooi om juist de lange termijn en integrale sturing centraal te zetten. Zoals de virtuele Raad van Bestuur van een virtuele superbeheerder ook zou doen. Misschien iets voor het nieuwe kabinet. Lees hier de reactie van NGinfra op het rapport.”
Wijnand Veeneman, Wetenschappelijk directeur NGinfra



Als impactcoördinator voor Vitens helpt Ilse Nederlof de koers te varen die het bestuur en de…

De twee NGinfra Roadmaps geven richting aan een heldere missie voor 2050. Deze laten zien welke…

Annemieke Nijhof, algemeen directeur bij Deltares: ‘Laat ambities niet remmen door onzekerheid over haalbaarheid’.